Er was eens een zilveren draadje …

Het kleine meisje Indra lag als een bolletje wol opgerold in haar bedje en huilde. Haar mama had het zachte gehuil gehoord en kwam bij haar kijken.
“Wat is er toch, lieve schat”, vroeg ze met warme stem.
“Ik ben zo bang, mama.”
Mama tilde het kleine meisje uit haar bedje en nam haar mee naar de tuin. Ze ging op de schommelbank zitten met Indra in haar armen en wiegde haar rustig heen en weer.
“Vertel mama maar waarom je zo bang bent. Heb je vreemde dingen gezien? Of ben je geschrokken van een geluid?”
Indra schudde haar hoofd en zei met een schor stemmetje: “Ik ben zo bang dat ik je kwijt raak, mama. Als ik ga slapen, ben ik bang dat je er niet meer bent als ik wakker word”.
Mama sloeg haar armen nog dichter om haar dochter heen.
“Maar lieve schat. Weet je dan niet dat je mij helemaal niet kwijt kan raken? Jij en ik zitten aan elkaar vast.”
Vrolijk glimlachend keek ze het kleine meisje aan. Indra keek vragend omhoog en droogde haar tranen.
“Hoe kunnen wij nou aan elkaar vast zitten”, zei Indra terwijl ze naar haar armen en benen keek. “Ik zie nergens een touwtje.”
Haar mama lachte nu luider en zei: “Dat kan jij ook niet zien, dat kunnen alleen mama’s en papa’s zien. Ik heb een zilveren draad aan mijn pols vastgeknoopt en de andere kant zit aan jou vast. Soms zit het aan je been vast, en een andere keer aan een lok van je haar, maar je zit altijd aan mijn zilveren draadje vast. Dus waar je ook bent, ik kan je altijd voelen”.
Indra wreef met haar hand over een been en daarna voelde ze aan haar krullen. “Maar ik voel niets, mama.”
“Weet je wat? Als je nu je oogjes stevig dichtknijpt, dan kan je héél misschien het zilveren draadje zien.”
Indra sloot haar ogen stijf dicht en begon te lachen.
“Oh, mama”, verbaasd keek ze haar mama aan. “Ik zie een wit streepje”.
Met grote ogen keek mama haar kleine meisje aan: “Wat goed van jou. Weet je dat dat héél zeldzaam is. Maar weet je wat dat betekent?”
Giechelend en nieuwsgierig danste Indra op de schoot van haar moeder heen en weer.
“Dat betekent dat je nooit meer bang hoeft te zijn dat je mama niet meer kan vinden. Als je je oogjes sluit en je ziet het witte streepje, dan weet je dat ik bij je in de buurt ben.”

Tring, tring.
De deurbel rinkelt en is tot ver in de tuin te horen. Indra springt van de schoot van haar mama af en huppelt naar de deur. Daar blijft ze wachten tot mama bij haar staat en samen openen ze de deur. Tot hun grote verrassing staat oma op de stoep. Indra springt in de armen van oma en begint uitgelaten te vertellen dat mama een zilveren draadje heeft dat aan haar vast zit.
Oma lacht voluit en zegt: “Ja maar natuurlijk, ik heb ook een draadje aan mama vastgeknoopt. Want ze mag dan wel aan de andere kant van het land wonen, ik raak haar niet kwijt hoor. Ik weet altijd waar ze is.”
Indra bekijkt de handen van haar oma maar kan geen zilveren draadje vinden. Ze knijpt haar oogjes stijf dicht en weer ziet ze een wit streepje.
“Ja hoor, oma. Ik kan het zien.”
Even later brengt oma haar naar bed toe.
“Dag lieve Indra, droom maar fijn van het zilveren draadje. Je hoeft nu niet meer bang te zijn.”

© Marny 2006

 

 

       

   

Webdesign ©   Marny 2007